In Oosterse denkbeelden is het lichaam de plaats waar wij in 'wonen', of sterker nog: 'in mogen wonen'. Het lichaam als de nomadische tempel van de zwervende geest. Een 'voelend denken', een humane vrijplaats, een empathische ruimte, die door zijn eigenheid toont wie, of wat, we werkelijk zijn. Zo dat zelfs ons innerlijk zich manifesteert als een stille dirigent die vorm geeft aan ons uiterlijk. En dit is een rode draad in het werk van Edith Ronse: dat de gemoedsgesteldheid en veranderlijke conditie kan gelezen worden aan het menselijk oppervlak. Die zachte huid, geaderd tussen vlees en bloed, waarin we de verschillende lagen in de diepte kunnen aflezen.